verhalen

Stuurmanskunst in je levensloop

Angela van de Loo, 11 september 2016, 18:00
In ieder mens leeft het diepgewortelde verlangen om gelukkig te zijn. Hoewel in de genetische code van het menselijk brein veel destructieve impulsen geschreven staan, beschikken we eveneens over het potentieel om een creatief, avontuurlijk, onbaatzuchtig en enthousiast mens te zijn. Compleet én echt.
 
Gelukkige mensen beleven hun compleetheid en complete mensen zijn echt. Ieder mens is anders compleet dan andere mensen. Daarom is echtheid steeds opnieuw een individueel wonder. Wie in de buurt van dit wonder komt, merkt dat en zo ontstaat de draaggolf voor een positief, inspirerend klimaat. Echtheid is geen aangeboren eigenschap. Het is een innerlijke kwaliteit, die stukje bij beetje wordt verworven. Daar moet je voor in actie komen. Je moet de dingen doen, die bij je horen, die van jou zijn. ‘Iedere fase in de psychosociale ontwikkeling van de mens wordt gekenmerkt door een conflict’, stelt de Duitse psychoanalyticus Erik Erikson (1902-1994). Dat conflict moet eerst worden opgelost voordat je door kunt gaan naar de volgende fase. Zie het als een levenstaak, die je moet volbrengen om succesvol met een volgende fase te kunnen starten. Elke fase bestaat uit twee tegenpolen, die in het gunstige geval uitmonden in een deugd of vitale sterkte. Een voorbeeld: een baby die geborgenheid en veiligheid ervaart, ontwikkelt vertrouwen in reactie op zijn ervaring. Later in het leven zal hij zijn omgeving met vertrouwen tegemoet treden. Kleuters kunnen zo hun wil ontwikkelen als zij het dilemma overbruggen tussen initiatief en schuldgevoel. Op de basisschool ervaren zij wat competentie inhoudt, door het conflict tussen ijver en minderwaardigheid aan te gaan. In het ongunstige geval stagneert hun ontwikkeling en blijven ze in een ontwikkelfase steken.

COMBINATIE VAN FACTOREN

‘Motivatie blijft een beetje een geheimzinnig onderwerp’, zegt Wil Albeda, voormalig minister van Sociale Zaken in het boekje Motivatie in Organisaties (auteur: H. Lange). Ons motief om in actie te komen is individueel, collectief én universeel. We zijn een individu, behoren tot een generatie en verkeren in een bepaalde fase in onze levensloop. Hoe meer bewustzijn je hierop ontwikkelt, des te sneller kun je leren. We ontwikkelen in de loop van ons leven allemaal een eigen(aardig)heid. We groeien op in een bepaalde tijd, horen dezelfde muziek, leven met de context van die tijd en de onderwerpen die aandacht vragen. Generaties kleuren collectief een cultuur, nieuwe trends, waarden en normen ontstaan. Het ritme van het leven of de wetmatigheden in onze levensloop blijven gelijk; ze zijn universeel. Als je daarop meebeweegt en deze momenten goed gebruikt, ben je steeds beter in staat om zelf richting aan je ontwikkeling te geven. In verschillende fasen in onze levensloop zoeken we andere ‘opbrengsten’ in ons leven en werk.

De ‘lente’ van je leven (0-21 jaar) kenmerkt zich door zien, nadoen, volgen en leren. We staan open voor alles. Als jong volwassene (21-28 jaar) doen we allemaal onze eerste onafhankelijke ervaring met het leven op. De daarop volgende expansieve fase (28-35 jaar) is een belangrijke periode, dikwijls gekenmerkt door worsteling en zelf-realisatie. Hier tekenen zich de contouren af van de toekomst, vooral in carrière en werk. Het verlangen om jezelf te bewijzen, onafhankelijk te zijn en grip te krijgen groeit.

De twintiger

De twintiger leeft vanuit een positieve gestemdheid. Het leven ligt voor hem, hij staat er open tegenover. Hij heeft nog weinig zelfkennis, maar dat stoort hem niet. Hij gaat immers zijn grenzen en mogelijkheden verkennen. Wat hoort bij mij en wat niet? Hij vaart geen vaste koers. ‘Ik zie wel’ is zijn favoriete uitdrukking. Hij zoekt situaties op waarin hij zichzelf kan uitproberen. Hij wil nog geen vaste binding en zoekt vooral verandering.
Wat motiveert hem in zijn werk? Hij wil ‘taakjes’ doen, die onmiddellijk resultaat opleveren. Hij werkt liever niet alleen, maar met mensen die hij mag en die hem mogen. Veel afwisseling is belangrijk, zodat hij kan ervaren wat hij wel en wat hij niet kan. Af en toe op zijn tenen lopen is niet erg, wel uitdagend en leerzaam. Een positieve werksfeer is bepalend voor zijn werkplezier. Hij wil van anderen horen wat ze hem vinden. Zo krijgt hij zicht en greep op het eigen functioneren. Hoewel hij onderscheid kan maken, heeft hij onvoldoende realiteitszin. Wat hij voelt of gewaarwordt ìs waar. Hij ìs zijn emoties.

De dertiger

De dertiger kent de eigen grenzen en mogelijkheden, is serieus. Zijn jeugd zit erop, de ernst des levens is begonnen. Nuchter, zakelijk, rationeel en planmatig pakt hij de dingen aan. Hij gaat relationele en financiële verbintenissen aan, zoals een gezin en een hypotheek. Hij is vitaal en energiek en neemt veel hooi op zijn vork. De dertiger vaart en vertrouwt op zijn verstand. De oriëntatie is dikwijls materialistisch. Het ontbreekt aan invoelingsvermogen, velen ervaren hem als hard en koud. Het werk moet mogelijkheden tot groei bieden en de kans om hogerop te komen. Hij gaat verantwoordelijkheden aan, die verder reiken dan de eigen taak. Direct resultaat zien is niet nodig, hij kan afwachten. Plannen, organiseren, doelen en prioriteiten stellen zijn zaken waar hij zich mee handhaaft. Hij wil - eist gerichte aandacht voor ‘persoonlijke ontwikkeling’. Reflectie die stimuleert de zaak ook eens door de ogen van anderen te zien, helpt. Een te eenzijdige rationele ontwikkeling, waarbij macht de overhand krijgt en eigenbelang gaat domineren is verleidelijk.In deze fase van ons leven willen we moeilijke dingen doen en leren. Een uitdagende taakstelling, doelen halen en evalueren, helpen zelfvertrouwen te ontwikkelen. We hebben het nodig onszelf te bewijzen, zèlf te scoren. We willen lang en hard werken, liefst in projecten. Het gevaar dat er roofbouw wordt gepleegd - zelf of door de organisatie - ligt op de loer. We zetten de dertigers te vaak aan het werk in projecten van anderen in plaats van hen eigen projecten te geven. Dat kan nadelige effecten hebben in latere levensfasen. Machtstreven en routine vormen de valkuilen in deze periode. We kunnen het gevoel ontwikkelen het leven in de vingers te hebben; dat kan in een latere periode het enige houvast worden. Zelfoverschatting en –onderschatting doen hun intrede. Overschatting wordt machtsbeleving en onderschatting leidt tot gevoelens van onmacht. Routine geeft aanvankelijk een ‘heerlijk op mijn plaats’ gevoel. Maar, dan lopen we het gevaar in te slapen en vroeg ‘gezapig’ te worden.

Intimiteit of isolement

Faust is 35 jaar wanner hij het verdrag met de kwade genius Mefistoles sluit. Hij kiest daarmee voor de weg van het harteloze vernuft, het van liefde ontdane denken. Door zo te kiezen verliest hij zijn geliefde Gretchen. Hard en hoofd kunnen in deze tijd verder van elkaar worden vervreemd, ze kunnen ook nader tot elkaar komen. De kwade genius belooft oneindige kansen; de goede genius vraagt beperking. De persoonlijkheid kan nu leren en verwerkelijken wat aan het begin van de puberteit al is aangekondigd: wie weet te verliezen, zal vinden.